Bloedverdunners, stollingsremmers of antistolling?
 
Er worden veel verschillende woorden gebruikt voor antistollingsmiddelen. Hoe zit dat nu precies?
De groep medicijnen die ervoor zorgen dat het bloed minder snel stolt en er minder makkelijk trombose kan ontstaan, worden officieel antitrombotische middelen genoemd. Hieronder valt de groep trombocytenaggregatieremmers (bloedplaatjesremmers zoals acetylsalicylzuur (Aspirine), carbasalaatcalcium (Ascal) en de groep anticoagulantia. Andere woorden voor anticoagulantia zijn: antistollingsmiddelen, stollingsremmers of bloedverdunners. De groepen onderscheiden zich van elkaar doordat ze een ander werkingsmechanisme hebben, een ander aangrijpingspunt op het stollingsproces.

Boezemfibrilleren en de diagnose

Indien uw huisarts een vermoeden heeft dat uw symptomen of klachten te maken kunnen hebben met boezemfibrilleren, zal hij/zij een lichamelijk onderzoek verrichten.
Uw bloeddruk wordt gemeten, uw pols wordt opgenomen en er wordt naar uw hart geluisterd. Dit doet de arts om eventueel een ruis vast te stellen en het ritme en de frequentie van uw hartslag te beoordelen. De arts zal u ook vragen stellen over uitlokkende factoren en mogelijk aanwezige risicofactoren. Om zo een betere prognose en een gerichte behandelaanpak te bepalen. Namelijk op het moment dat er boezemfibrilleren is opgetreden door bijvoorbeeld hoge koorts of te intensief sporten dan is de kans groter dat het van voorbijgaande aard is.

Oorzaken die aanvallen van boezemfibrilleren kunnen veroorzaken

Andere aandoeningen:
- o.a. hoge bloeddruk
- suikerziekte
- andere hartafwijkingen (hartklepafwijkingen, hartinfarct, hartfalen)
- schildklieraandoeningen
- slaapapneu en meer zeldzame ziekten.

Overige uitlokfactoren:
- na een hartoperatie
- inspanning
- psychische stress
- koorts
- bloedarmoede
- alcohol
- koffie
- drugs
- sommige medicijnen


Duurt het boezemfibrilleren een langere periode dan verandert het hartweefsel blijvend. Deze weefselverandering houdt het boezemfibrilleren in stand en wordt het moeilijker om het oude ritme terug te krijgen. In feite is uw hart in een andere ritmestand afgesteld. Vandaar dat uw arts zal willen achterhalen hoe lang u boezemfibrilleren heeft. Indien nodig zal er aanvullend onderzoek plaatsvinden, zoals het maken van een hartfilmpje of bloedonderzoek.

Aanvullend onderzoek

ECG
Bloedonderzoek
Holter-registratie
TTE– transthoracale echocardiografie - hartecho
TEE– transoesophagale echocardiografie - echo via de keel
Inspanningsonderzoek
Thorax foto - röntgenonderzoek van de borst

De diagnose

De daadwerkelijke diagnose wordt gesteld door middel van een hartfilmpje, een ECG (elektrocardiogram). Mocht het ECG niets uitwijzen, dan kan er ook worden besloten om uw hartritme 24 uur te volgen met behulp van een monitor die u op uw lichaam draagt; de zogenaamde Holter registratie. Na de diagnose en de beoordeling van uw persoonlijke situatie, bespreekt uw huisarts met u de mogelijke behandelingen. Uw huisarts bepaalt of het nodig is om u door te verwijzen naar een cardioloog. Dit kan voor nader onderzoek zijn of voor een behandeling om u in uw normale hartritme te krijgen (cardioversie) waar u eventueel voor in aanmerking komt. Ook als u jonger bent dan 65 jaar kan de huisarts u door verwijzen naar de cardioloog.
In de overige situaties behandelt de huisarts boezemfibrilleren vaak zelf.

maandthema mail een vriend(in)